van Diyarbakir naar Suruç

door Peter T., Zaterdag 12 september 2015:
We rijden door een ruw en dor, golvend landschap zo ver het oog rijkt. Het is bezaaid met rotsblokken in alle formaten, bijna volledig overdekt en doet heel marsiaans aan. Op de radio luisteren we naar Koerdisch verzet en tussen de muziekfragmenten horen we berichten via walkie-talkie. “Hit him, hit him”, vertaalt onze tolk.11227787_1179181342097426_3227047544321158323_o
In de verte doemen bergen, links staat een plateau in brand en hier en daar staat een eenzaam bouwsel van de rotsblokken en met tentzeil overtrokken. Regelmatig zie je links en rechts vuurposten van het leger, maar die lijken onbemand. Dan rijst plots een stad in de verte. We rijden ze voorbij en het landschap herneemt haar gewone doen.
Het Amara Cultuurcentrum in Suruç heeft vandaag iets van de living van een jeugdherberg: aan de tafel zitten wat Britten, op het terras een drietal stoere Italiaanse anarchisten met veel tatoeages, die het over “il systemo anarquista” hebben, een stel Basken, drie jonge meisjes zitten op de grond en in de zetels liggen mensen verspreid. Ze checken hun status. Dat moet ook gebeuren. Het is rustig. Maar onze dag begon anders. Toen we in Diyarbakir door de Carsi Karakol-straat wandelden, passeerden we een politiekantoor. Dat is helemaal gebarricadeerd met containers en grote zakken zand. Ik bedacht: “Als je een politiekantoor al op die manier moet beschermen, dan weet je dat je een probleem hebt.”
Agenten met en zonder uniform staan met de Kalashnikov in de aanslag, monsteren ons als we voorbij wandelen en schieten in actie: we moeten opzij gaan staan, de zakken leegmaken, onze identiteitsbewijzen tonen. Of nee toch niet, we moeten onze spullen inpakken en mee naar binnen. En wat rap, brult de agent met de dikste buik. Op zijn stemvolume afgaand, zou je hem een carrière in de opera toewensen.
Binnen worden we in groepjes gedeeld, meekomen, de zakken terug open, de identificatie tonen. “Waarom we Turkije niet bij de EU willen? Denken we misschien dat Turken barbaren zijn?” snauwt de barbaar ons toe. Er wordt wat geglimlacht: wij zijn geen politici, wij nemen niet de beslissingen en wat ons betreft mag de hele wereld bij de EU. Dat kalmeert de sfeer. “En wat we van plan zijn misschien?” Dat we naar de vluchtelingenkampen gaan, omdat we daar in Frankrijk en België ook mee te maken hebben, zoiets. Maar dat gelooft geen kat. “We know why you are here.” Om Kobane te redden of zoiets.
Onze begeleider, Mehmet, hangt er aan. Gisteren had hij ons nog lachend gezegd “don’t worry if I don’t show up tomorrow. It means I am arrested.” Hij doelde op het feit dat hij zijn legerdienst niet wil doen. Maar de politie heeft na een half uur een reden gevonden waarom ze ons hebben meegenomen. Mehmet moet nog voorkomen voor een eerdere actie.
Wat later staan we op straat zonder hem. We zien hoe hij wordt afgevoerd en onze vrienden slaan druk aan het bellen; een advocaat wordt geregeld en wat later staan we met hem voor het Gerechtsgebouw dat naast het Stadhuis ligt. “Help Rojava”, staat daar op. We zouden wel willen. Ik denk “onze kameraden vrij”, maar hou wijselijk mijn mond. Onze agenda ligt in de war natuurlijk. Maar de berichten over Mehmet zijn geruststellend: hij zal later op de dag vrij komen en ons in Suruç vergezellen.
In Urfa staat er opnieuw een politiecontrole. Gelukkig ben ik Antwerpen gewend en stoor ik me al minder aan zwaar bewapende agenten of soldaten in het straatbeeld. Zo’n repressief beleid heeft dan toch zijn voordelen: gewenning. Ook hier willen ze weten waar de reis heen gaat en hechten ze geen geloof aan het verhaal over de vluchtelingen. “Als ze alleen waren, had ik ze gearresteerd”, zegt een van de agenten tegen onze begeleiders. “We weten allemaal waarom ze hier komen.” We mogen dus door.
Onderweg bereikt ons een schokkend bericht: het huis van een van onze begeleiders staat in lichterlaaie. Niemand twijfelt er aan dat het over brandstichting gaat. Ik vraag me af of het te maken heeft met ons contact met de politie eerder. Ze weten nu wie we zijn en waar we zijn. Is het politiek? “Niet noodzakelijk, denkt Taifun: het kunnen ook gewoon boze buren zijn die je niet kennen en je weg willen. Ook dat gebeurt hier wel vaker dus.
Hij blijft er bijna ijzig kalm onder, al brult hij wel wat in zijn telefoon. Maar hij maakt zich meer zorgen over onze volgende maaltijd dan zijn huis. “You are my guest”, zegt hij. Daar wordt hier niet licht overgegaan.
Veel gebeurt hier voorlopig niet en van een officieel programma is hier vandaag wellicht geen sprake meer. De winkels en restaurants zijn gesloten uit protest tegen de belegering van Cirze. De stad is zeer rustig en met deze temperaturen is dat geen slechte zaak.
Een dezer trekken we naar de vluchtelingenkampen in de omgeving. Tijdens de rit hebben we er een aantal in de verte gezien. Ze lijken beter georganiseerd dan die in Calais en de chaos in Brussel: honderden witte tenten in lange, lange, kaarsrechte rijen. De gemeenschap neemt de vluchtelingen hier op een heel andere manier op. Dat blijkt ook als we aan het standje ons fruit kopen: een vrouw uit Kobane die naar hier gevlucht is, moeit zich in het gesprek. Als ze hoort wie we zijn, trekt een lach over haar gelaat van oor tot oor. We zijn welkom, merk ik.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s